Genetische aandoeningen

Genetische aandoeningen

Genetische aandoeningen zijn aandoeningen die het gevolg zijn van afwijkingen in de genen of chromosomen. Er bestaan meer dan vierduizend ziekten die worden veroorzaakt door genetische afwijkingen.
Genetische afwijkingen kunnen worden verdeeld in twee soorten. Erfelijke genetische aandoeningen zijn afwijkingen in de genen of chromosomen die worden geërfd van de ouders. De afwijking bestond dus al eerder.
Daarnaast zijn er verworven genetische aandoeningen, afwijkingen die pas tijdens het leven ontstaan in de genen of chromosomen. Dat kan gedurende de ontwikkeling van de foetus, maar ook nog na de geboorte. Er ontstaat dan dus schade in het voorheen onbeschadigde genetisch materiaal.

Genen spelen de hoofdrol in de erfelijkheid. Ze bevatten informatie voor alle erfelijke eigenschappen. Een gen is opgebouwd uit DNA. DNA bestaat uit lange ketens van bepaalde chemische stoffen en bevat de ‘genetische code’ voor een eigenschap. Genen besturen de aanmaak van eiwitten, de bouwstenen van het lichaam. Genen liggen verspreid over de chromosomen, één chromosoom bevat vele honderden genen. In totaal heeft een mens 30.000 tot 40.000 genen.

Chromosomen zijn de dragers van de erfelijke informatie die wordt doorgegeven van ouders op hun nageslacht. Deze chromosomen bevinden zich in de celkern. Ze zijn voor te stellen als lange dunne strengen. Deze strengen zijn opgebouwd uit chromatine, een combinatie van DNA met enkele andere eiwitten die nodig zijn voor het ‘opvouwen’ van DNA.
Chromosomen komen normaal in paren voor. Eén chromosoom in elk paar is geërfd van de moeder, het andere van de vader. Menselijke cellen bevatten zesenveertig chromosomen in drieëntwintig chromosoomparen. De geslachtscellen, dit zijn de spermacellen bij mannen en de eicellen bij vrouwen, bevatten slechts drieentwintig enkele chromosomen, zodat de bevruchting leidt tot een cel met in totaal zesenveertig chromosomen die aan de basis ligt van het nageslacht. Twee van de zesenveertig chromosomen zijn de geslachtschromosomen, de overige worden autosomale chromosomen genoemd.

De geslachtschromosomen worden ook wel aangeduid als de X- en Y-chromosomen. Deze chromosomen bepalen of het nageslacht mannelijk of vrouwelijk wordt. Vrouwen hebben twee X-chromosomen (XX), mannen een X- en een Y-chromosoom (XY).

Vraag het de medisch specialist 

Twijfels of onzekerheid na een ziekenhuisbezoek zijn heel gewoon. Gelukkig kunt u nu uw vragen als verzekerde van CZ bespreken met een onafhankelijk medisch specialist.

  • Telefonisch of online contact met een medisch specialist
  • Gratis & exclusief voor klanten van CZ
  • 100% vertrouwelijk

Zó werkt het

Soorten afwijkingen

Er bestaan drie hoofdmechanismen waardoor genetische aandoeningen kunnen optreden:

  • Afwijkingen aan één enkel gen, zogeheten monogene afwijkingen. Van alle pasgeborenen heeft 1,5 procent een dergelijke afwijking. Ze ontstaan door een mutatie, dit is een verandering in een gen. Hierdoor ontstaat een ‘fout’ in de genetische code en wordt het eiwit waarvoor het betreffende gen de code bevat niet of op een verkeerde manier gemaakt.
  • Aandoeningen waarbij zowel afwijkingen aan de genen als schadelijke invloeden van buitenaf een rol spelen. Dit komt het meest voor, maar blijft toch beperkt tot 2,5 tot 4 procent van de pasgeborenen. De meeste multifactoriële aandoeningen ontwikkelen zich echter tijdens het leven (verworven aandoeningen).
  • Afwijkingen in de structuur van de chromosomen of het aantal chromosomen. Van alle pasgeborenen heeft 0,5 procent een chromosoomafwijking. Een voorbeeld van een chromosoomafwijking is het syndroom van Down, waarbij van chromosoom 21 er 3 in plaats van 2 aanwezig zijn.

Al deze drie mechanismen kunnen op verschillende tijdstippen in het leven ontstaan. Wanneer ze bij de ouders optreden kunnen de afwijkingen zich in de ei- of zaadcellen bevinden en zo op het nageslacht worden overgedragen. Sommige afwijkingen ontstaan tijdens de groei van de baby in de baarmoeder, door fouten tijdens de celdeling of door schadelijke invloeden van buitenaf.

Het overdragen van erfelijke genetische aandoeningen

Of bepaalde genetische aandoeningen optreden en welke dat zijn, hangt af van het chromosoom waar het abnormale gen zich bevindt (autosomaal chromosoom of geslachtschromosoom) en of het gen zelf dominant of recessief is. Autosomale genetische aandoeningen worden van ouders op kind overgedragen via een van de tweeëntwintig autosomale chromosomenparen. Aandoeningen die worden overgeërfd via een van de geslachtschromosomen (het X- of Y-chromosoom), worden geslachtsgebonden genoemd. Een erfelijke aandoening waarvan het gen zich op het Y-chromosoom bevindt kan alléén bij jongetjes voorkomen.

Er is sprake van dominante overerving wanneer het abnormale gen op het chromosoom van een van de twee ouders de uitkomst van het genenpaar bepaalt, ook al is het gen op het andere chromosoom normaal. Voorbeelden van dergelijke ziekten zijn onder andere het syndroom van Marfan, de ziekte van Huntington en achondroplasie.

Bij recessieve overerving moeten de genen van beide ouders de afwijking vertonen voordat de ziekte kan optreden. Voorbeelden van dit soort ziekten zijn taaislijmziekte (mucoviscoïdose), sikkelcelanemie en de ziekte van Tay-Sachs. Als er slechts één abnormaal gen aanwezig is, is de persoon wel een ‘drager’ en bestaat de kans dat de ziekte wordt doorgegeven aan de kinderen.

Het optreden van verworven genetische aandoeningen

Verworven genetische aandoeningen treden op wanneer er tijdens het leven veranderingen plaatsvinden in de genen of chromosomen als gevolg van bepaalde stoffen die mutagenen worden genoemd. Van een groot aantal chemicaliën is bekend dat ze dit soort veranderingen veroorzaken. Daarnaast kan straling, zoals röntgenstraling, uv-straling en de straling van radioactieve stoffen een rol spelen. Via dit zelfde mechanisme kan ook kanker worden veroorzaakt.

Diagnose van genetische afwijkingen

Door genetisch onderzoek kan worden vastgesteld of een foetus bepaalde genetische afwijkingen heeft.

Genetisch advies

De taak van een genetisch adviseur, meestal een arts, is voorlichting geven over het ontstaan van geboortedefecten en over het mechanisme van de erfelijkheid. Er zijn diverse klinisch genetische centra in Nederland.

Genetisch advies kan nuttig zijn in de volgende situaties:

  • Paren die al een kind met een aangeboren aandoening hebben en die een volgende zwangerschap willen plannen. Zij kunnen meer inzicht krijgen in de aandoening van hun kind en de kans op herhaling bij een volgend kind.
  • Genetisch advies is eveneens bedoeld voor mensen die een bloedverwant met een erfelijke aandoening hebben en die zich zorgen maken over risico voor zichzelf of hun toekomstige kinderen.
  • Mensen die zelf een aangeboren afwijking hebben of drager zijn voor een erfelijke aandoening (maar zelf niet ziek zijn). Genetisch advies kan inzicht geven in de kans op dragerschap of ziekte bij eventuele kinderen.
  • Moeders die in de 18e week van de zwangerschap 36 jaar of ouder zijn. Met het stijgen van de leeftijd neemt de kans op erfelijke aandoeningen toe.
  • Mannen die voor het verwekken van een kind en vrouwen die voor of tijdens de zwangerschap zijn blootgesteld aan schadelijke stoffen, zoals chemotherapie, bestraling of schadelijke stoffen op het werk.

Aan de hand van het genetisch advies kan worden bekeken welke genetische onderzoeken mogelijk en zinvol zijn en wat daarvan de risico’s zijn. Ook kan worden besproken welke gevolgen de uitslag van dit onderzoek voor de betrokkenen kan hebben. Met deze informatie kan een weloverwogen beslissing tot het al of niet laten verrichten van genetisch onderzoek worden genomen.

Meer informatie

www.erfelijkheid.nl/erfelijkheid/index.php
Algemene informatie over erfelijkheid van het erfocentrum

www.nlm.nih.gov/medlineplus/ency/article/002048.htm (Engels)

Campbell, S. & Lees, C. (2001), Obstetrics by Ten Teachers, 17th ed, Arnold, London
 
Lles, R.K., Kumar, P.J. (1999), Cell and molecular biology and genetic disorders, in: Kumar, P. & Clark, M. (Eds), Clinical Medicine, 4th Ed, Harcourt Publishers Limited, Edinburgh, London.

Shovlin, C.L., Lamb, J.R., Haslett, C. (1999), The molecular and cellular basis of disease, in: Haslett, C., Chilvers, E.R.E., Hunter, J.A.A. & Boon, N.A. (eds), Davidson’s Principles and Practice of Medicine, 18th ed, Churchill, Livingstone, London.