Baarmoederhalskanker

Baarmoederhalskanker

De baarmoederhals is het onderste gedeelte van de baarmoeder. Ongeremde en ongecontroleerde celdeling in dit gebied wordt baarmoederhalskanker genoemd. Soms wordt de diagnose baarmoederhalskanker gesteld zonder dat er een tumor zichtbaar is. Er kan dan sprake zijn van een carcinoma in situ van de baarmoederhals of van cervicale intra-epitheliale neoplasie (CIN).

Vraag het de medisch specialist 

Twijfels of onzekerheid na een ziekenhuisbezoek zijn heel gewoon. Gelukkig kunt u nu uw vragen als verzekerde van CZ bespreken met een onafhankelijk medisch specialist.

  • Telefonisch of online contact met een medisch specialist
  • Gratis & exclusief voor klanten van CZ
  • 100% vertrouwelijk

Zó werkt het

Oorzaak

De baarmoederhals is buisvormig en verbindt de baarmoeder met de vagina. Het gedeelte van de baarmoederhals dat aan de kant van de vagina ligt, heet baarmoedermond oftewel ectocervix. Het gedeelte dat aan de kant van het baarmoederlichaam ligt, heet endocervix. Het slijmvlies van de baarmoedermond bestaat uit andere cellen dan dat van het baarmoederlichaam. Waar het baarmoederlichaam overgaat in de baarmoedermond ontstaat meestal de baarmoederhalskanker.

De bovenste laag van de baarmoedermond bestaat uit zogenaamde plaveiselcellen. Daarom heet een kankergezwel in dit gebied een plaveiselcelcarcinoom. De cellen die het baarmoederlichaam bekleden, heten cilindercellen. Een kankergezwel in dit gebied wordt een adenocarcinoom genoemd. Dit type komt naar verhouding echter zeer weinig voor.

Baarmoederhalskanker wordt vrijwel altijd veroorzaakt  door een besmetting met het humaan-papillomavirus. Veel vrouwen met baarmoederhalskanker hebben een infectie (bewust of onbewust) met dit virus (gehad). Er bestaan verschillende risicofactoren voor het ontwikkelen van baarmoederhalskanker. Deze vorm van kanker is zeldzaam bij vrouwen die geen geslachtsgemeenschap hebben. Vrouwen daarentegen die al op jonge leeftijd seksueel actief zijn, hebben een verhoogd risico. Ook bij verschillende seksuele partners is er een grotere kans op baarmoederhalskanker. Vrouwen die roken en vrouwen met aids lopen ook een groter risico.

Symptomen

Baarmoederhalskanker geeft de eerste jaren vaak geen symptomen. Later kunnen bloedingen optreden tussen de menstruaties door of na geslachtsgemeenschap (contactbloedingen). Ook kan er abnormale afscheiding zijn. In een verder gevorderd stadium van baarmoederhalskanker kunnen er uitzaaiingen in de omgeving ontstaan, bijvoorbeeld naar de blaas of de endeldarm. In dat geval kunnen pijn in de onderbuik en de rug en problemen met het plassen en de ontlasting ontstaan. Bij uitzaaiingen kunnen gewichtsverlies, gebrek aan eetlust en algehele achteruitgang optreden.

Diagnose

De diagnose baarmoederhalskanker wordt gesteld wanneer kankercellen in de baarmoederhals worden aangetroffen. Het uitstrijkje (ook wel Pap-test genoemd) is een test om vrouwen te onderzoeken op baarmoederhalskanker. Bij deze test worden cellen van de baarmoedermond afgeschraapt en onder de microscoop onderzocht op afwijkende cellen. 

Alle vrouwen tussen de 30 en de 60 jaar worden eens in de 5 jaar uitgenodigd een uitstrijkje te laten maken in het kader van het bevolkingsonderzoek. Bij vrouwen met risicofactoren kan het raadzaam zijn hiermee op jongere leeftijd te beginnen. Door regelmatig een uitstrijkje te laten maken, wordt een eventuele afwijking in een vroeg stadium ontdekt. De Pap-classificering loopt van Pap 0 tot en met Pap 5. Pap 0 betekent dat er onvoldoende materiaal is afgenomen, Pap 1 betekent dat er geen afwijkingen zijn en Pap 5 betekent dat er afwijkingen zijn gevonden die passen bij baarmoederhalskanker. 

In 2016 verandert het bevolkingsonderzoek. Er wordt dan niet meer naar de aanwezigheid van afwijkende cellen gekeken, maar naar de aanwezigheid van het hoog risico HPV (hrHPV). Als dit virus gevonden wordt, wordt er alsnog gekeken naar de aanwezigheid van afwijkende cellen. Op deze manier wordt het eerder duidelijk of vrouwen een risico lopen op het krijgen van baarmoederhalskanker. Het onderzoek hoeft minder vaak plaats te vinden en is dus minder belastend. Het onderzoek wordt verricht door de huisarts of de doktersassistente. Maar er is ook een zelfafnametest ontwikkeld zodat vrouwen de test thuis kunnen afnemen, als ze dat graag willen.Wanneer het vermoeden bestaat op baarmoederhalskanker, bijvoorbeeld door een abnormale bloeding, wordt eerst een vaginaal onderzoek gedaan en een uitstrijkje gemaakt. Als dat afwijkend is of als het vermoeden op baarmoederhalskanker blijft bestaan, wordt een colposcopie gedaan. Bij dit onderzoek wordt de baarmoederhals van binnen bekeken. Ook kan bij een colposcopie weefsel worden weggenomen voor onderzoek. In dat laatste geval wordt een stukje van het afwijkende weefsel weggenomen (biopsie) en door een patholoog onder de microscoop onderzocht op de aanwezigheid van kankercellen. Het weefsel wordt dan via een CIN-indeling geclassificeerd. CIN I betekent dat er sprake is van lichte afwijkingen. Bij CIN III gaat het om een voorstadium van baarmoederhalskanker. Als de tumor groot is, is een colposcopie niet nodig en kan door middel van een naaldbiopsie een stukje tumor worden verwijderd voor onderzoek. Als er kankercellen aanwezig zijn, moeten er vervolgonderzoeken worden uitgevoerd om vast te stellen in welk stadium de kanker verkeert. Dit wordt ‘stadiëring’ genoemd. Er zijn vier stadia, namelijk I tot en met IV. Stadium I is een tumor die zich beperkt tot de baarmoederhals. Stadium IV is een vergevorderde en uitgezaaide vorm van baarmoederkanker. De behandeling is onder andere afhankelijk van het stadium waarin de kanker zich bevindt.

Behandeling

De behandeling is afhankelijk van het soort kankercellen, de mate van kwaadaardigheid en het stadium van de baarmoederhalskanker. Er zijn vier soorten behandeling die onafhankelijk van elkaar kunnen worden uitgevoerd. Maar vaak worden behandelingsvormen met elkaar gecombineerd.

Als er gekozen wordt voor een operatie, wordt de baarmoedermond of de hele baarmoeder verwijderd. Indien nodig worden eileiders, eierstokken en lymfeklieren weggehaald. Als bestraling nodig is, kan gekozen worden tussen inwendige en uitwendige bestraling. Als er voor medicatie gekozen wordt, is er de keuze tussen hormonen en chemotherapie. Er kan ook gekozen worden voor een warmtebehandeling (hyperthermie). 

Prognose

De prognose is sterk afhankelijk van het stadium van de tumor en eventuele uitzaaiingen. Als de aandoening in een vroeg stadium wordt ontdekt, is volledige genezing mogelijk en blijft de vruchtbaarheid intact.

Baarmoederhalskanker zaait voornamelijk uit via de lymfeklieren. Rugpijn kan een indicatie zijn dat de kanker is uitgezaaid tot buiten de baarmoederhals. Pijn bij het plassen of urineverlies via de vagina kan een indicatie zijn dat de kanker is uitgezaaid naar de blaas. Pijn bij de ontlasting kan wijzen op uitzaaiing naar het rectum. De urinestroom kan door vergrote lymfeklieren met kankercellen zelfs helemaal geblokkeerd raken. Een verstopping van de urinestroom uit de nieren kan tot nierproblemen leiden. Uitgezaaide kanker leidt uiteindelijk tot algehele verzwakking en overlijden.

Meer informatie

Informatie van het Nederlands Huisartsen Genootschap
thuisarts.nl/uitstrijkje-baarmoederhals

Patiëntenfolder over het maken van een uitstrijkje van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG)
www.nijsmellinghe.nl/1066/uitstrijkje-colposcopie-lisexcisie-en-conisatie

Belangrijke bronnen
Informatie van het RIVM over veranderingen van het bevolkingsonderzoek
www.rivm.nl/Onderwerpen/B/Bevolkingsonderzoek_baarmoederhalskanker/Bevolkingsonderzoek_gaat_veranderen