Reactieve hechtingsstoornis

Reactieve hechtingsstoornis

Een kind met een reactieve hechtingsstoornis (RHS) kan zich niet op een gezonde manier emotioneel hechten aan mensen in zijn naaste omgeving. Het basisvertrouwen in anderen ontbreekt. Tot in de volwassenheid kunnen alleen oppervlakkige relaties worden aangegaan. Kinderen met een hechtingsstoornis reageren afwijkend in sociale situaties.

Snel de juiste hulp bij depressiviteit of een angststoornis | Mentaal Beter Online

Bij Mentaal Beter Online kun je terecht voor online therapie bij depressieve klachten en angststoornissen. Al het contact met jouw psycholoog word gevoerd in een veilige online omgeving via beeldbellen en chat.

Lees hier meer over Mentaal Beter Online

Oorzaken

Een hechtingsstoornis ontwikkelt zich in de eerste vijf levensjaren. De stoornis doet zich meestal voor bij kinderen die worden verwaarloosd of mishandeld door de ouders of verzorgers. Ook bij kinderen in instellingen, geadopteerde kinderen of kinderen die verschillende verzorgers hebben gehad, is de kans op deze aandoening groter.

Symptomen

Kinderen met een reactieve hechtingsstoornis voelen zich meestal afgewezen en niet gewenst. Deze kinderen zijn vaak verdrietig en voelen zich steeds tekort gedaan en niet begrepen. Meestal wijst het kind de hoofdverzorger het sterkst af. Er bestaan twee typen hechtingsstoornissen: het geremde en het ontremde type.

Een kind met het geremde type hechtingsstoornis zoekt bijvoorbeeld contact met zijn verzorger en kijkt tegelijkertijd de andere kant op. Ook kan toenadering van verzorgers worden afgewezen of kan het kind overdreven waakzaam zijn of zich verzetten tegen troosten. Het gedrag van het kind is vaak agressief en moeilijk te voorspellen. Zo kan het kind op het ene moment heel vriendelijk zijn en op het andere moment heel erg verdrietig of boos. Vaak vertonen kinderen met een hechtingsstoornis teruggetrokken gedrag, waardoor ze in een sociaal isolement terecht kunnen komen.

Een kind met het ontremde type hechtingsstoornis kan zich niet hechten aan één bepaald persoon. Het zal zich juist aan iedere willekeurige persoon vastklampen. Deze kinderen gaan meestal erg vrij om met volwassenen. Ze vertonen een overmatige familiariteit zonder terughoudendheid of remmingen. Ze vertonen vaak overvriendelijk maar oppervlakkig gedrag, vragen ongeremd aandacht en vinden het moeilijk om vrienden en andere sociale contacten te onderhouden. Ze zijn vaak lastig, niet in staat zinvolle emotionele relaties aan te gaan, kennen geen normale affectie en berouw, en hebben een slechte controle over hun driften.

Vaak zien andere mensen kinderen met het ontremde type als ‘allemansvrienden’, omdat ze met iedereen spelen en met iedereen overweg kunnen. Kinderen met deze hechtingsstoornis hebben meestal vanaf heel jonge leeftijd geen vaste verzorger gehad of er zijn veel verschillende verzorgers geweest. Denk daarbij aan kinderen die zijn opgegroeid in de pleegzorg of in instituten.

Diagnose

De diagnose van een hechtingsstoornis wordt gesteld op basis van de medische voorgeschiedenis, het verhaal van het kind en de ouders of verzorgers, en de symptomen. Ook wordt er een psychologisch onderzoek uitgevoerd.

Behandeling

De ernst en duur van de aandoening is afhankelijk van een aantal factoren. Meestal treedt een sterke verbetering of genezing op als het kind in een veilige en verzorgende omgeving wordt ondergebracht. Daarnaast speelt bij de behandeling van deze aandoening psychotherapie een rol. Het is belangrijk dat tijdens de behandeling emotionele ondersteuning wordt geboden aan het kind en de verzorgers.

Als een reactieve hechtingsstoornis is ontstaan in de eerste vijf levensjaren van een kind, bestaat de kans dat op latere leeftijd een posttraumatische stressstoornis, depressie of angstgevoelens ontstaan, door hetgene wat zij hebben meegemaakt.

Meer informatie

Nederlands Jeugd Instituut
www.nji.nl/Hechting-en-hechtingsproblemen

Website van De Knoop, Stichting voor Hechtingsstoornissen/Geen-Bodem-Syndroom (GBS)
www.hechtingsstoornis.nl/news.php

Medline Plus (2006), Reactive Attachment Disorder of Infancy or Early Childhood,
www.nlm.nih.gov/medlineplus/ency/article/001547.htm (Engels)

Rees, C.A. (2005), “Thinking About Children's Attachments”, Arch Dis Child, vol. 90, no. 10, October, pp. 1058-1065.
www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16177163?dopt=Abstract (Engels)